Wetenschappers en onderwijsinstituten: hoe kijk je wèl naar een MOOC!

16 okt 2017
by François Walgering

Afgelopen week was ik op de twaalfde editie van de European Conference on Technology Enhanced Learning (EC-TEL) in Estland. Naast de de 7th Workshop on Awareness and Reflection in Technology-Enhanced Learning (ARTEL17), bezocht ik vele andere workshops van onder andere (computer)wetenschappers. Bijvoorbeeld over de werking van gamification-elementen in een digitale leeromgeving, of van researchers die hun bevindingen over digitaal leren presenteerden. Opvallend: hoe de visie op een ‘succesvolle’ MOOC van wetenschappers en onderwijsinstituten verschilt van onze visie.

Instituten versus deelnemers

Universiteiten en onderwijsinstellingen kijken vanuit een institutionele visie naar MOOCs. Of het nu xMOOCs (de grote, massale digitale colleges) of cMOOCs (connectivity MOOCS) zijn. Onderwijsinstituten hebben jarenlange ervaring met het ontwikkelen van leermiddelen en ontwikkelen ook MOOCs op die wijze. Ze denken vanuit leerdoelen die zij voor de deelnemers opstellen. Ook willen ze graag dat de deelnemers – en het liefst zo veel mogelijk deelnemers – iets ‘halen’, of ergens voor slagen. Een certificaat, een cijfer, een diploma. Hoe meer afvallers, hoe ‘slechter’ de MOOC. En hoe hoger het slagingspercentage, des te succesvoller de MOOC.

Maar is dat wel zo?

Andere doelen van MOOC-deelnemers

Uit mijn eigen ervaringen met MOOCs blijkt dat veel lerenden die interesse hebben in een MOOC vaak voor zichzelf een leerdoel hebben bepaald (van tevoren), of gaandeweg ontdekken dat de MOOC hen biedt (of niet biedt) wat ze ervan hoopten of verwachtten. Het doel dat deelnemers voor zichzelf stellen, hoeft niet overeen te komen met het doel van het onderwijsinstituut. De lerende bevindt zich bijvoorbeeld in een bedrijf of organisatie waarin behoefte naar kennis ontstaat en gaat actief op zoek naar antwoorden. Zodra hij of zij de antwoorden gevonden heeft, stapt hij uit de MOOC.

Daarnaast gebruiken steeds meer kennisdragers of experts een MOOC om zich te profileren binnen een netwerk. Zeker in cMOOCs, die meer leerwaarde leveren als ze zich als netwerk gedragen, gebeurt het dat deze experts extra content inbrengen of de discussie aangaan met de andere deelnemers. Om te laten zien dat ze expert zijn, al dan niet voor commerciële doeleinden, of om hun kennis te delen met anderen. Andere MOOC-deelnemers kunnen op hun beurt weer interesse hebben in wat zo’n expert te zeggen heeft en zich mede om die reden aansluiten bij een MOOC.

Een MOOC is vrijwillig

Misschien wel het allerbelangrijkst: de meeste MOOC-deelnemers doen mee omdat ze dat zelf willen. Vrijwillig dus. Het is een laagdrempelige cursus, gratis, een leerproces dat veel deelnemers in hun eigen tijd en op hun eigen tempo willen doorlopen. Hierdoor zullen er meer mensen zijn die eerder stoppen. Die luchtigheid is inherent aan wat een MOOC is en maakt het lastig voor een onderwijsinstelling om een MOOC te ontwikkelen met een ‘hoog slagingspercentage’. En als universiteiten en wetenschappers onderzoek doen vanuit dit perspectief: een MOOC is een leermiddel en we willen dat zo veel mogelijk deelnemers een certificaat behalen, dan klopt het hele onderzoek niet meer. Dat klinkt heftig, maar ze vergeten in hun visie mee te nemen dat het doel van de deelnemer misschien wel verschilt van het hunne. Immers; een deelnemer kan wel een heel ander doel hebben dan het behalen van dat certificaat.

Taalgebruik en waardeoordelen

Door te spreken over ‘slagen’, ‘afvallen’ en ‘succespercentage’ hangen onderzoekers een waardeoordeel aan de MOOC-deelnemers en aan hun acties binnen de MOOC. Als deelnemers niet de volledige rit uitzitten, dan hebben we te maken met ‘afvallers’ en wordt een ‘lager slagingspercentage’ behaald. Onderzoeken over waarom deelnemers ‘afhaken’ zijn (nog) niet gedaan. Dat komt mogelijk deels doordat computerwetenschappers zich minder snel interesseren in het menselijke aspect achter data. Dat is prima, maar een iets neutraler taalgebruik is wenselijk. Deelnemers vallen niet af, maar maken de MOOC niet volledig af. En dat betekent niet automatisch dat de MOOC of de deelnemer niet geslaagd is.

De MOOC moet uitstekend zijn

Natuurlijk willen onderwijsinstellingen en organisaties goede leerpaden aanbieden. Een MOOC moet dus ook kloppen. Qua onderwerp en inhoud, qua opbouw, qua presentatie. Zowel pedagogisch als didactisch. MOOC-ontwerpers moeten er alles aan doen om ervoor te zorgen dat de MOOC zelf geen enkele reden biedt om eerder te stoppen. Hoe doe je zoiets? Enkele tips:

–       Ontwikkel een overzichtelijke MOOC. Zowel in opbouw, als in opmaak. Houd het rustig, logisch en strak.

–       Creëer een goede leeropbouw, of learning flow. Begin laagdrempelig en neem de deelnemers aan de hand mee naar het beoogde niveau.

–       Bied een MOOC aan met een goede facilitator of moderator (de begeleider van de MOOC). Een goede facilitator is van doorslaggevend belang bij de betrokkenheid (het engagement) van de deelnemers. Een goede facilitator prikkelt, stimuleert, vraagt door en daagt uit.

–       Implementeer gamification-elementen om MOOC-deelnemers uit te dagen (en het engagement te verhogen).

–       Zorg voor een technisch goed functionerende MOOC. Een inkopper wellicht, maar zeer belangrijk.

Leave a Comment:

* - required fields

MOOCFactory © 2017